Lijfrente en de nieuwe pensioenwet: hoe je in 2026 zelf een pensioengat dicht

De Wet toekomst pensioenen verandert hoe pensioenfondsen werken, maar dicht geen enkel pensioengat voor zzp'ers. Zo doe je dat zelf met een lijfrente.

Lijfrente en de nieuwe pensioenwet: hoe je in 2026 zelf een pensioengat dicht

Je collega van veertig vult voor de derde keer dit jaar de jaarruimtemodule van de Belastingdienst in, fronst, en sluit het tabblad weer. "Ik snap gewoon niet meer wat er verandert," zegt ze tijdens de lunch. Ze is niet de enige. Sinds de Wet toekomst pensioenen op 1 juli 2023 inging, zijn pensioenfondsen bezig hun regelingen om te bouwen naar een nieuw stelsel, en die overgang loopt door tot uiterlijk 1 januari 2028. Voor werknemers met een goede pensioenregeling verandert er weinig aan de dagelijkse beleving. Voor zzp'ers, freelancers en mensen die van baan wisselden zonder aansluitend pensioen op te bouwen, is het een ander verhaal — en juist voor die groep is dit het moment om zelf een lijfrente te regelen, met name na een carrièreswitch waarbij de financiële zekerheid van een vast werkgeverspensioen tijdelijk wegviel.

Wat een pensioengat eigenlijk is

Een pensioengat ontstaat wanneer de AOW en een eventueel werkgeverspensioen samen minder opleveren dan zo'n zeventig procent van je laatstverdiende inkomen — de vuistregel die pensioenadviseurs al decennia hanteren. Dat gat is groter dan de meeste mensen denken. Zzp'ers bouwen namelijk helemaal geen tweedepijlerpensioen op, tenzij ze vrijwillig zijn aangesloten bij een beroepspensioenfonds zoals dat voor huisartsen of notarissen. Werknemers die na een carrièreswitch een periode zonder pensioenregeling zaten, missen die jaren voorgoed — pensioenopbouw is niet met terugwerkende kracht te herstellen via de werkgever. Over pensioenopbouw bestaan veel hardnekkige ideeën die intussen achterhaald zijn — dat de AOW automatisch genoeg is, of dat een lijfrente alleen iets is voor wie het écht breed heeft. Een reëel beeld krijg je pas als je zelf rekent. De enige manier om dat gat zelf te dichten, binnen de fiscale regels, is een lijfrente.

De jaarruimte: hoeveel mag je inleggen?

De jaarruimte bepaalt hoeveel lijfrentepremie je dit jaar fiscaal mag aftrekken in box 1. De berekening houdt rekening met je inkomen, een franchise voor de AOW die je al opbouwt, en de pensioenopbouw die je eventueel al hebt via een werkgever of beroepspensioenfonds. Reken die jaarruimte altijd zelf uit via de officiële rekenmodule op de site van de Belastingdienst en niet via een oude schatting van vorig jaar of van een collega met een vergelijkbare carrière — de formule wijzigt jaarlijks mee met de AOW-franchise en het maximale premiepercentage, en een schatting op basis van vorig jaar klopt bijna nooit meer. Heb je in eerdere jaren je jaarruimte niet volledig benut? Dan kun je via de reserveringsruimte tot zeven jaar terugkijken en dat gemiste bedrag alsnog inleggen, tot een vastgesteld maximum. Voor wie na een paar jaar zonder lijfrente eindelijk orde op zaken stelt, is dat vaak de snelste manier om in één keer een substantieel bedrag fiscaal voordelig weg te zetten en zo alsnog een reëel deel van het gemiste rendement in te halen.

Wat veel mensen mist: de aftrek is geen cadeautje, het is uitstel. Je betaalt nu minder belasting over je inkomen omdat de premie aftrekbaar is, maar zodra de lijfrente-uitkering later binnenkomt, wordt die volledig belast in box 1 tegen het tarief dat dan geldt. Het voordeel zit hem in het tariefverschil: leg je in tegen het toptarief tijdens je werkende leven en keer je later uit tegen een lager pensioentarief, dan win je. Zit je nu al in de laagste schijf, dan is het voordeel kleiner dan de meeste brochures suggereren.

Banksparen of een verzekeraar — het maakt meer uit dan de meeste mensen denken

Er zijn twee hoofdroutes om lijfrentekapitaal op te bouwen: lijfrentebanksparen bij een bank of vermogensbeheerder, en een lijfrenteverzekering bij een verzekeraar. Bij banksparen — aanbieders als Brand New Day en verschillende grootbanken bieden dit aan — beleg je het kapitaal zelf, meestal in een indexfonds of spaarrekening, en zie je precies wat er op je rekening staat. Bij een verzekeraar zoals Nationale-Nederlanden, a.s.r. of Achmea koop je feitelijk een verzekeringsproduct, vaak met een gegarandeerd rendement of een winstdelingsregeling, maar met hogere kosten en minder inzicht in de onderliggende beleggingen.

Voor een dertiger of veertiger met een lange beleggingshorizon is banksparen in een breed gespreid indexfonds in de meeste gevallen goedkoper en transparanter. Voor wie dichter bij de pensioendatum zit en zekerheid belangrijker vindt dan rendement, kan een verzekeraar met een gegarandeerde uitkering juist de betere keuze zijn. Vergelijk niet alleen het verwachte rendement, maar ook de afsluitkosten, de beheerkosten per jaar en wat er gebeurt met je kapitaal als je overlijdt vóór de uitkeringsdatum — bij sommige polissen vervalt het opgebouwde bedrag dan grotendeels aan de verzekeraar, bij andere gaat het naar je nabestaanden. Beëindig je de polis zelf vroegtijdig, dan gelden bij een verzekeraar vaak afkoopkosten die de opbouw van de eerste jaren grotendeels tenietdoen — bij banksparen speelt dat probleem niet, daar neem je gewoon je opgebouwde kapitaal mee.

Wat de nieuwe pensioenwet concreet verandert voor jouw lijfrente

De Wet toekomst pensioenen raakt in de eerste plaats de collectieve tweedepijlerregelingen bij pensioenfondsen, niet direct de derdepijlerproducten die je zelf afsluit. Toch is er een indirect effect dat weinig aandacht krijgt: pensioenfondsen stappen over van een uitkeringsovereenkomst naar een premieregeling, wat betekent dat de hoogte van je toekomstige pensioen minder vast staat en meer meebeweegt met beleggingsresultaten. Voor werknemers verschuift het risico daarmee gedeeltelijk van het fonds naar het individu — precies het risico dat je bij een lijfrente al vanaf het begin zelf draagt. Wie via de werkgever al minder zekerheid krijgt, doet er goed aan om bij de eigen lijfrente juist bewust te kiezen tussen risico en garantie, in plaats van automatisch voor de goedkoopste optie te gaan.

Een lijfrente is geen vervanging voor een goed werkgeverspensioen — het is het instrument voor de jaren waarin je dat pensioen niet had.

Er is ook een praktische wijziging die zzp'ers direct raakt: de geleidelijke invoering van een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering onder de Wet Basisverzekering Arbeidsongeschiktheid Zelfstandigen is losgekoppeld van de pensioendiscussie, maar beide trajecten spelen zich in dezelfde jaren af. Wie als zelfstandige zowel de nieuwe AOV-verplichting als de pensioenopbouw moet inplannen, doet er verstandig aan die twee posten niet los van elkaar te begroten voor de financiële planning van het hele jaar — de maandlasten tellen op, en een lijfrente die je na een paar maanden weer moet stopzetten omdat de AOV-premie ook nog moet worden betaald, levert per saldo weinig op.

Hoe je in de praktijk begint

Begin met de jaarruimtemodule van de Belastingdienst en noteer het bedrag dat je dit jaar mag inleggen. Vergelijk daarna minimaal drie aanbieders op kosten, niet alleen op het geadverteerde rendement — een verschil van een half procent aan jaarlijkse beheerkosten tikt over dertig jaar beleggen aan tot duizenden euro's minder eindkapitaal. Kies vervolgens bewust voor banksparen of een verzekering op basis van hoeveel zekerheid je nodig hebt, en niet op basis van welke adviseur het laatst met je belde — een goede financiële planning begint bij je eigen cijfers, niet bij een verkooppraatje.

  • Reken je jaarruimte en, indien van toepassing, je reserveringsruimte uit via de Belastingdienst
  • Vergelijk minimaal drie aanbieders op instapkosten, jaarlijkse beheerkosten en uitkeringsvoorwaarden
  • Bepaal of je kapitaal wilt opbouwen via beleggen (banksparen) of via een gegarandeerd product (verzekeraar)
  • Check wat er met het kapitaal gebeurt bij overlijden vóór de uitkeringsdatum
  • Stem de inleg af op je andere vaste lasten, zeker als je ook een AOV moet afsluiten

Vergeet niet de premie daadwerkelijk op te voeren in je aangifte inkomstenbelasting — de aftrek gaat niet automatisch, ook niet als de bank of verzekeraar keurig een jaaroverzicht stuurt.

Veelgemaakte misvattingen over de lijfrente

De meest hardnekkige misvatting is dat een lijfrente iets is voor later, voor wanneer je carrière al gevestigd is en het inkomen structureel hoger ligt. Dat idee kost mensen jaren aan gemiste jaarruimte en, bij banksparen, jaren aan gemist rendement op rendement. Een tweede misvatting: dat de nieuwe pensioenwet ook automatisch iets regelt voor zelfstandigen. Dat doet ze niet — de wet gaat vóór alles over collectieve regelingen bij pensioenfondsen, niet over de derde pijler waar zzp'ers en freelancers in zitten. Een reëel gevoel van urgentie ontstaat pas als je de twee cijfers naast elkaar zet: wat de AOW straks uitkeert, en wat je nu daadwerkelijk nodig hebt om rond te komen. Vóór die vergelijking is elk gesprek over pensioen vooral een gevoel; erna wordt het een concreet bedrag.

Ook een carrièreverandering later in het leven — van loondienst naar zelfstandig ondernemer, of andersom — is een goed moment om de lijfrente opnieuw te beoordelen. De regels rond jaarruimte en franchise veranderen mee met je situatie, en wat vorig jaar nog een prima constructie was, kan dit jaar door een andere baan of een ander inkomen al achterhaald zijn. Eén keer per jaar opnieuw rekenen, het liefst rond de jaarwisseling, voorkomt dat je jarenlang op de automatische piloot dezelfde premie blijft inleggen zonder te checken of dat bedrag nog wel bij je financiële situatie past.

Is het altijd de moeite waard?

Niet per se. Wie weinig verdient en nu al in de laagste belastingschijf zit, heeft weinig aan het belastingvoordeel van vandaag, terwijl de uitkering later alsnog belast wordt. Voor die groep kan vrij beleggen of gewoon sparen, zonder de beperkingen van een lijfrente, soms een verstandiger route zijn — je zit dan niet vast aan een uitkeringsmoment en een verplichte periodieke uitkering. Een lijfrente werkt het best voor wie nu in een hogere schijf zit, financiële ruimte heeft na de vaste lasten, en de financiële discipline mist om zelf structureel opzij te zetten zonder de fiscale duw in de rug.

De nieuwe pensioenwet verandert weinig aan de rekensom zelf, maar ze maakt wel duidelijk — vóór alles voor wie nog aan het begin van de carrière staat — dat de tijd van een gegarandeerd werkgeverspensioen dat alle gaten vanzelf dichtte, definitief voorbij is. Wacht niet tot je pensioenoverzicht een schok geeft — reken nu uit hoe groot het gat daadwerkelijk is, en begin klein als het bedrag je afschrikt. Een lijfrente van vijftig euro per maand is nog altijd beter dan geen enkele.