Eind mei of begin juni staat het er ineens: het vakantiegeld. Voor de meeste werknemers is dat 8 procent van het brutoloon over het afgelopen jaar, en bij een modaal inkomen praat je al gauw over zo'n 2.000 tot 2.800 euro netto die in één keer binnenkomt. Het voelt als gratis geld, maar dat is het natuurlijk niet: je hebt er het hele jaar voor gewerkt, de fiscus heeft er al een flinke hap uit genomen, en wat je ermee doet maakt een groter verschil dan de meeste mensen denken.
Waarom dat bedrag tegenvalt
De eerste schok zit in het verschil tussen bruto en netto. Vakantiegeld wordt belast tegen je hoogste tarief, en omdat het bovenop je gewone loon komt, gaat er bij veel mensen 37 tot bijna 50 procent vanaf. Iemand met een brutovakantiegeld van 3.000 euro houdt er netto vaak maar rond de 1.800 over. Dat is geen fout van je werkgever en ook geen reden om de Belastingdienst te bellen — zo werkt de tabel voor bijzondere beloningen nu eenmaal. Wat je wél kunt onthouden: als je dit jaar minder hebt verdiend dan vorig jaar, krijg je een deel mogelijk terug bij de aangifte over 2026.
Het tweede wat opvalt, is hoe snel het weg is. Onderzoek van het Nibud laat al jaren hetzelfde patroon zien: een groot deel van de Nederlanders heeft het vakantiegeld binnen een paar weken uitgegeven, vaak zonder een duidelijk plan. En juist daar zit de kans. Eén keer per jaar een paar duizend euro tegelijk binnenkrijgen is precies het moment om iets te doen wat met je maandsalaris niet lukt.
De volgorde die echt werkt
Voordat je ook maar denkt aan sparen of beleggen: kijk eerst naar je schulden. Heb je een roodstand, een creditcardschuld of een aankoop bij Klarna of Riverty die nog openstaat? Die kosten je al snel 14 procent rente of meer, en geen enkele spaarrekening of belegging haalt dat terug. Een dure schuld aflossen met je vakantiegeld is wiskundig gezien de beste belegging die je dit jaar kunt doen, ook al voelt het minder leuk dan een nieuwe fiets.
Staat je rood op nul, dan komt de buffer. Het Nibud adviseert een noodpotje van minimaal drie tot zes maanden vaste lasten — voor een gemiddeld huishouden is dat al snel 5.000 tot 10.000 euro. Heb je dat nog niet, dan hoort je vakantiegeld daarheen. Zet het op een aparte spaarrekening die je niet dagelijks ziet, want geld dat op je betaalrekening blijft staan, is geld dat verdampt. De spaarrentes zijn in 2026 wel weer iets gezakt na de renteverlagingen van de ECB, maar bij banken als bunq, Trade Republic of Openbank krijg je nog altijd meer dan bij de grootbanken, waar je vaak onder de 1,5 procent blijft hangen.
- Eerst dure schulden weg — alles boven ongeveer 8 procent rente gaat vóór sparen.
- Daarna de buffer aanvullen tot drie à zes maanden vaste lasten.
- Pas als die twee staan, wordt beleggen of extra aflossen op de hypotheek interessant.
- En houd een klein deel apart om gewoon van te genieten — een budget dat je negeert, hou je niet vol.
Extra aflossen op de hypotheek: lang niet altijd slim
Veel mensen denken automatisch aan de hypotheek aflossen. Dat kan verstandig zijn, maar het hangt sterk af van je rente. Wie de afgelopen jaren een rente onder de 2 procent heeft vastgezet, doet er beter aan dat geld te laten renderen op een spaar- of beleggingsrekening die meer oplevert dan die lage rente kost. Heb je daarentegen pas afgesloten of binnenkort een renteherziening met tarieven rond de 4 procent, dan is boetevrij aflossen — meestal mag dat tot 10 procent van de oorspronkelijke som per jaar zonder boete — vaak juist een prima zet. Reken het door voordat je iets overmaakt; één telefoontje naar je geldverstrekker scheelt soms honderden euro's.
Box 3: waar je in 2026 op moet letten
De vermogensbelasting in box 3 is al jaren een rommeltje, en 2026 is een overgangsjaar. Het kabinet werkt aan een nieuw stelsel op basis van werkelijk rendement, maar dat is opnieuw uitgesteld, dus voorlopig betaal je nog over een fictief rendement dat de Belastingdienst per categorie vaststelt. Het heffingsvrije vermogen ligt rond de 57.000 euro per persoon, dus voor een stel samen ongeveer 114.000 euro. Kom je daar met je spaargeld en beleggingen samen overheen, dan ga je belasting betalen, en het tarief is inmiddels 36 procent over dat fictieve rendement.
Voor de meeste mensen met een net opgebouwde buffer is dit geen probleem — je zit er ruim onder. Maar heb je het vakantiegeld van een paar jaar plus een erfenis of de opbrengst van een huisverkoop staan, dan kan het lonen om vóór de peildatum van 1 januari te kijken hoe je vermogen is verdeeld. Spaargeld wordt namelijk anders belast dan beleggingen. Dit is precies het soort situatie waarin een uurtje bij een onafhankelijk financieel adviseur of een goede berekening op de site van de Belastingdienst zichzelf terugverdient.
Beleggen met je vakantiegeld: kan, maar met nuchterheid
Als je buffer staat en je hebt geen dure schulden, is een jaarlijkse storting uit je vakantiegeld een prima manier om te beginnen met beleggen. Een breed gespreide indexfonds-belegging via een aanbieder als DEGIRO, Meesman of een Vanguard-tracker bij Brand New Day is voor de meeste particulieren verstandiger dan losse aandelen uitkiezen. De kosten zijn laag, je spreidt het risico over honderden bedrijven, en je hoeft er niet dagelijks naar te kijken.
Eén ding moet je wel eerlijk tegen jezelf zeggen: beleggen is geld dat je vijf tot tien jaar niet nodig hebt. Wie volgend jaar een keuken wil verbouwen of binnen twee jaar een auto moet kopen, hoort dat geld niet in aandelen te stoppen, hoe verleidelijk het rendement van de afgelopen jaren ook lijkt. De beurs kan zomaar 20 procent zakken op het moment dat je het geld nodig hebt, en dan verkoop je met verlies. Voor korte termijn blijft een spaarrekening of een deposito de juiste plek, ook al voelt dat saai.
Vakantiegeld én een dure zomer: de rekening klopt vaak niet
Hier wringt iets wat veel mensen pas in september merken. Het vakantiegeld komt binnen, maar juist in dezelfde maanden lopen de uitgaven op: de vakantie zelf, de schoolspullen voor na de zomer, een verjaardag, een bruiloft. Wie het hele bedrag als bonus ziet en de zomerkosten apart op de creditcard zet, staat in oktober per saldo slechter dan in mei. Het is verstandiger om eerst je verwachte zomeruitgaven op een rijtje te zetten — reis, uitstapjes, een paar weken duurder boodschappen doen — en pas wat daarna overblijft te bestemmen voor schuld, buffer of beleggen.
Een simpele rekensom helpt. Stel je houdt 1.800 euro netto vakantiegeld over en je vakantie kost 1.100 euro. Dan is je echte ruimte 700 euro, niet 1.800. Behandel dat verschil als heilig: dat is het deel dat je vooruithelpt. Het stuk dat naar de vakantie gaat, was nooit van plan om te blijven, dus daar hoef je je niet schuldig over te voelen. Wat misgaat, is wanneer mensen die twee bedragen door elkaar halen en het gevoel hebben dat ze sparen terwijl ze in werkelijkheid teren.
Automatiseren wint het van wilskracht
De mensen die structureel iets opbouwen, doen dat zelden met discipline alleen — ze regelen het zo dat ze er niet meer over hoeven na te denken. Zet een automatische overboeking klaar zodra het vakantiegeld op je rekening staat, bijvoorbeeld de dag erna, naar je spaar- of beleggingsrekening. Wat je niet ziet, geef je niet uit. Dezelfde truc werkt het hele jaar: een vaste maandelijkse overboeking van een paar tientjes vanaf je salaris doet op de lange termijn meer dan één keer per jaar een groot bedrag dat je daarna weer aanspreekt. Het vakantiegeld is dan een mooie aanvulling, geen reddingsplan.
Wat de meeste verschil maakt, is niet het slimme fonds of de hoogste rente, maar dat je dit jaar één bewuste keuze maakt in plaats van het bedrag te laten wegsijpelen. Maak het over zodra het binnen is, naar de schuld, de buffer of de beleggingsrekening — wat in jouw situatie voorgaat. Geld dat je een week op je rekening laat staan, weet je aan het eind van de zomer niet meer waar het is gebleven.